Hoofdstuk 6 - NAAR SCHOOL EN STUDEREN

De basisschool

Elke ouder van een autistisch kind, herkent de schoolproblemen. Je ziet er al tegenop om je kind naar de basisschool te brengen. Je weet als geen ander hoe lastig jouw kind soms kan zijn, maar ook hoe kwetsbaar het is. Ineens moet je jouw 'zorgenkind' loslaten en aan vreemde handen overdragen. Je kunt hem niet langer beschermen en moet zijn toekomst deels ook door anderen laten bepalen. Toch is het noodzakelijk dat het kind zich ook in een niet- veilige omgeving leert redden. Je weet als ouder heel goed wat je kind nodig heeft en het zal heel moeilijk worden om de leerkrachten ervan te overtuigen dat jouw kind, een kind is met een gebruiksaanwijzing. Veel ouders krijgen, wanneer zij vertellen dat hun kind autistisch is, een speciale blik van diegene die hen inschrijft. Een blik van: '"Weer een ouder die vindt dat hun kind speciale aandacht nodig heeft.'


Wanneer je als ouder vooraf vraagt of de leerkrachten iets weten van autisme en of er een schoolbegeleidingsdienst is die weet om te gaan met autisme, komt er vaak een positieve reactie. Het antwoord is meestal, dat de school wel ervaring heeft met autisme en dat het wel goed komt. Of dat inderdaad zo zal zijn, moet de praktijk echter uitwijzen. Meestal gaat de basisschoolperiode, met vallen en opstaan, toch wel goed. Het ene jaar beter dan het andere jaar. Dit komt door de wisseling van leerkrachten. De ene kan beter dan de andere omgaan met kinderen die de diagnose autisme hebben dan de andere. Ook speelt het mee of de leerkracht gestructureerd werkt. Er zijn scholen die wel aan bijscholing doen over dit onderwerp. Zij beseffen heel goed dat een kind met autisme in de klas, vereist dat er nauw wordt samengewerkt met de ouders.


Een ouder van een kind met autisme op de basisschool, kan wel wat ondersteuning gebruiken. Het is altijd aan te bevelen om ondersteuning van een professional te vragen. Dit kan iemand van een autismeteam zijn, maar ook van MEE (landelijk informatie- en adviesloket) of van een andere instelling. Vraag de professional zoveel mogelijk mee te gaan naar de gesprekken op school. Het is nog steeds zo, dat van professionals eerder iets wordt aangenomen dan van ouders. Neem altijd voordat het kind op school komt, uit voorzorg contact op met de schoolbegeleiding. Mocht er iets gebeuren, dan zijn zij op de hoogte.


Wanneer je betrokken wilt zijn bij het wel en wee van het kind op school, dan is het handig om je actief op te stellen. Er zijn veel dingen die ouders kunnen doen voor een basisschool. Er is altijd wel een oudergroep actief. Geef je op als overblijfouder, zodat je kunt zien hoe het met je kind in de pauze gaat. Je kunt zo een oogje in het zeil houden, zonder dat het te veel opvalt. Op deze manier krijg je ook informeel contact met leerkrachten en andere ouders.
Wanneer het een periode niet goed loopt en je hebt daarover een gesprek met de leerkracht, laat dan niet doorschemeren dat de leerkracht naar jouw mening beter les moet geven. Je kunt beter voorkomen, dat de leerkracht zich aangevallen voelt op zijn deskundigheid. Veel leerkrachten gaan dan in de verdediging en dan loop je het risico dat de leerkracht je tegenstander wordt. Benadruk dat je er samen voor kunt zorgen dat het goed gaat met het kind.


Pesten

Ga na of er op de basisschool een protocol is tegen pesten. Kinderen met autisme moeten vaak beschermd worden tegen de andere leerlingen. Ze zijn enorm kwetsbaar en vaak het slachtoffer van pesterijen.


Autistische kinderen worden vaak gepest, zeker wanneer ze nog klein zijn en op de basisschool zitten. Wanneer ze wat ouder worden, zijn ze vaak iets weerbaarder en kunnen ze het pesten beter voorkomen. Voor ouders is dit heel erg naar om te zien en het is heel moeilijk om daar iets aan te doen. Er zijn verschillende redenen waarom jonge kinderen met autisme zo vaak gepest worden. Zij staan namelijk vaak aan de zijlijn toe te kijken, om te overzien wat nu toch de bedoeling is van wat er allemaal gebeurt. Een andere reden is dat bij veel kinderen met autisme de manier van geluiden waarnemen iets anders in elkaar zit dan bij niet-autisten. Dit maakt dat zij zeer gevoelig zijn voor bepaalde geluiden. Vaak is dit voor het kind een reden om geen contact te willen hebben met andere, schreeuwende en spelende, kinderen. Andere kinderen ervaren het kind met autisme als een vreemde eend in de bijt, zonder dat zij kunnen aangeven waaraan dit ligt. Dat komt doordat autistische kinderen niet meegaan in de non-verbale lichaamstaal van de andere kinderen. Wanneer een ander kind blij is, kan het kind met autisme wel goed reageren als het andere kind zegt dat hij blij is, en dat ook laat zien. Maar is er echter een situatie, waarbij hij zegt blij te zijn en toch verdrietig kijkt, dan weet het autistische kind dit niet te interpreteren en reageert vaak net verkeerd.


Mo komt huilend uit school. Hij vertelt dat hij niet meer mee mag doen met tikkertje spelen. Als ouder is dat moeilijk om te horen. Het kind wordt uitgesloten en mag niet meer meespelen met de andere kinderen. Na de vraag of de leraar hiervan weet, krijgt de ouder te horen dat het juist de leraar is geweest die heeft besloten dat Mo niet meer mee mag doen. Voor de ouder dus genoeg reden om een gesprek met deze leraar aan te gaan. Wat blijkt tijdens dit gesprek: Mo geeft de andere kinderen tijdens het tikkertje spelen geen tikje, maar een harde klap. Dit ontaardt regelmatig in slaan en schoppen van de andere kinderen en er hebben zich door dit slaan al heel wat vechtpartijen afgespeeld. Een lastig probleem, want in de hitte van het spel vergeet Mo dat hij zachtjes moet tikken en blijft hij hard slaan. Met de ouders wordt afgesproken dat zij samen met Mo thuis tikkertje gaan spelen, waarbij ze hem eerst leren om zachtjes te tikken. Het zacht tikken wordt onderdeel van het spel thuis, waarbij Mo geld kan verdienen om te sparen voor een nieuw telefoontje. Na enige tijd is Mo in staat tot zachtjes tikken en heeft hij de telefoon bijeen gespaard. Pas daarna neemt de leraar het besluit om Mo weer toe te staan om mee te doen met tikkertje spelen. Vanaf dat moment gaat het wel goed, waarbij echter wel regelmatig woordenwisselingen ontstaan tussen de kinderen onderling, omdat ze zeggen dat Mo ze helemaal niet aangeraakt heeft. Tja…


Wanneer kinderen gepest worden, gaven ouders vroeger regelmatig het advies aan hun kind om gewoon terug te slaan. Zo gaf bijvoorbeeld in een gezin de vader zijn zoon het advies om terug te slaan. Zijn zoon ging naar de schuur sloeg een paar spijkers in een plank en ging daarmee terug naar school. Gelukkig konden de leerkrachten op tijd ingrijpen.
Andere leerlingen hebben meestal vlug door hoe naïef een leerling met autisme is. Zij hebben ook vaak door hoe letterlijk hij allerlei dingen opvat en maken daar handig gebruik van om die leerling ongepaste zaken te laten doen. Voorbeeld: '"Wil je tegen de juf zeggen dat zij een lekke band heeft.'". Het kind gelooft de boodschap en gaat dit aan de juf vertellen. Als dus blijkt dat de band niet lek is, is hij de deugniet. Het is vaak de leerling met autisme die dan gestraft wordt.


Ouders kunnen pesten voorkomen door zich van te voren goed voor te bereiden en hier rekening mee te houden bij het uitzoeken van een school voor het kind. Gelukkig is er tegenwoordig meer aandacht voor pesten op school dan vroeger. Voordat zij het kind gaan plaatsen op een school, kunnen zij onderstaande punten langsgaan:

  • Is er op speelplaats, in de eetzaal en in de schoolgangen genoeg toezicht?
  • Je kunt jezelf als ouder ook opgeven om af en toe overblijfmoeder te zijn of voorleesouder
  • Weten de leerkrachten hoe het pesten te herkennen en hoe hiermee om te gaan?
  • Op welke manier pakken zij het pesten aan?
  • Zijn alle kinderen op de hoogte van de regels die er zijn om het pesten tegen te gaan?


De meeste scholen volgen bij het pesten, de aanpak dat zowel de pester als degene die gepest wordt, beiden worden geholpen. De persoon die pest, krijgt een aantal gesprekken en gaat afspreken dat hij ermee stopt. Het is niet verstandig hem straf te geven voor het pesten. De hekel aan het gepeste kind wordt dan alleen maar groter. Het kind dat gepest is, kan een training volgen om weerbaarder te worden. Dit ligt bij kinderen met autisme nogal ingewikkeld. Zij moeten ergens naartoe, waar zij niet heen willen. Het is ook moeilijk te accepteren, omdat het lijkt of het slachtoffer voor straf naar deze training moet en de pester niet. Terwijl die pester hem dit toch heeft aangedaan. Dat het volgen van een training moeilijk ligt, heeft ook te maken met het feit dat kinderen met autisme een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel hebben. Maar het is toch noodzakelijk dat kinderen met autisme weerbaarder worden. Om het niet als straf te ondergaan, kunnen ouders en leerkrachten gezamenlijk op één lijn gaan zitten en het kind vertellen dat de training niets te maken heeft met de afgelopen periode dat hij gepest werd, maar dat de training wordt aangeboden, om te voorkomen dat hij in de toekomst door andere kinderen gepest zal gaan worden.


Meld als ouder bij de inschrijving op een nieuwe school altijd dat je een kwetsbaar kind hebt, dat die gepest zou kunnen worden. Geef bij woede- en driftbuien van het kind duidelijke instructies hoe hiermee om te gaan. Geef deze instructies ook aan leerkrachten en aan andere ouders die vrijwillig werkzaam zijn op de school. Het ene kind wil bij woede- en driftaanvallen even vastgehouden worden, maar andere kinderen willen dat je rustig aanbiedt om even naar een prikkelarme omgeving te gaan. Deze kinderen willen vaak niet aangeraakt worden, dat maakt de woedeaanvallen alleen maar erger.


Kalenders en agenda's

Oefen tijdens de basisschoolperiode al het gebruik van kalenders en agenda's. Kinderen met autisme hebben veel baat bij agenda's, kalenders en lijstjes, maar ze lijken er tegelijkertijd ook een enorme hekel aan te hebben. Je kunt goed oefenen door bij thuiskomst, samen met het kind de afspraken in de agenda op te schrijven en ook te kijken naar wat er de komende dagen te doen is.


Tot slot: Neem na de schoolperiode altijd op goede en gepaste wijze afscheid van de school, zodat je kind deze periode positief kan afsluiten.


Tips voor de basisschool:

  • Onderzoek vooraf welke school ervaring heeft met autisme.
  • Zorg voor externe professionele hulp.
  • Stel de schoolbegeleiding op de hoogte.
  • Blijf actief bij de school betrokken.
  • Val de leerkracht niet aan.
  • Oefen met agenda's.


Naar de middelbare school

Kinderen met autisme vinden elke verandering moeilijk, zo ook de verandering van basisschool naar middelbare school. Maar ook weer van de middelbare school naar een MBO/HBO. Het probleem is, dat zij zich geen voorstelling kunnen maken van wat zij daar moeten doen en hoe het er daar uitziet. Zij missen dus overzicht. Hierbij moeten zij worden ondersteund.


In overleg tussen ouders, school en hulpverlening moeten nogal wat afspraken en een stappenplan worden gemaakt. Dit kan samen met de schoolbegeleidingsdienst of met een jeugdzorgorganisatie. Zij kunnen je vertellen hoe het kind op de basisschool al kan worden voorbereid op de overstap naar het voortgezet onderwijs. Zij kunnen ook de kennis over het omgaan met je kind overgedragen aan de nieuwe leerkracht van de middelbare school. Soms moet vooraf de nieuwe omgeving worden aangepast aan de behoefte van het kind.


Op welke manier en door wie er ook hulp en ondersteuning wordt geboden: let er op dat het geen begeleiding vanuit een algemene diagnose moet zijn, maar een individuele aanpak. Dus zorg op maat, ook binnen de school. Men kan er niet van uitgaan dat alle leerlingen met autisme hetzelfde zijn. Er zijn leerlingen met autisme die het liefst vooraan zitten en er zijn andere leerlingen die het liefst in een hoek achterin zitten, zodat ze overzicht hebben. Spreek goed af welke tijdslijn er moet worden uitgezet en wie wat doet.
Maak duidelijke afspraken over de wijze waarop de leerling voorbereid wordt op de overgang naar het voortgezet onderwijs. Bespreek ook vooraf, samen met het kind en de hulpverlener, of het wel wenselijk is dat er in de klas vermeld zal worden dat deze leerling een autistische stoornis heeft.


Maak samen met de hulpverlener een overzicht van de vaardigheden die het kind nog moet leren om de overgang naar een vervolgopleiding zo soepel mogelijk te laten verlopen. In een aantal plaatsen in Nederland, zijn er speciaal voor leerlingen met autisme, door het MEE georganiseerde cursussen, de zogenoemde 'wennen in de brugklas' -trainingen. Kijk hiervoor op de site van MEE of informeer bij het landelijke steunpunt voor autisme.


Kinderen met autisme hebben voortdurend al hun energie nodig om zich te kunnen handhaven in de, voor hen chaotische, maatschappij. Van groot belang is, dat de leerling zich veilig voelt. Wees daarom ook als ouder voorspelbaar en schep duidelijkheid. De onderstaande 9 W's kunnen hierbij een hulpmiddel zijn:

1. Wat gaat er gebeuren.
2. Wanneer gaat het gebeuren.
3. Waar gaat het gebeuren.
4. Wat is het doel.
5. Wat is de begintijd.
6. Wie doen er aan mee.
7. Welke stappen moeten worden gezet.
8. Wat is de eindtijd.
9. Wat gaat er daarna gebeuren.


Probeer bovenstaande lijst, zoveel als mogelijk, nog voor de zomervakantie duidelijk te laten zijn voor het kind, dus ruim voordat hij naar een vervolgopleiding gaat. Denk hierbij aan roosters, een lijst van medeleerlingen en hoe het schoolgebouw in elkaar zit. Ouders en leerkrachten van de school die je kind gaat verlaten, hebben meestal wel een goed beeld van de stappen die genomen moeten worden om de overgang soepel te laten verlopen.


De eerste stap is: een keuze maken voor een school. Welke school gaat het worden? Een kenmerk van mensen met autisme is, dat het moeilijk voor ze is om een keuze te maken.
Als een kind met autisme kan kiezen uit zes scholen of opleidingen, zal hij niet kunnen beslissen waar hij naar toe wil. Maak het aantal keuzemogelijkheden daarom kleiner. Dit kan door scholen te elimineren. Door bijvoorbeeld scholen af te laten vallen die te ver weg zijn of moeilijk bereikbaar met het openbaar vervoer. Zorg dat het kind nog twee scholen overhoudt om uit te kiezen. Die twee scholen ga je dan bezoeken, samen met het kind.
Ga eerst naar een school op een moment dat er geen leerlingen aanwezig zijn. Hierdoor kan het kind de details in zich opnemen, voelen of het veilig is en kennis maken met de mentor of schoolbegeleider.


De ouders van Bob hadden het prima aangepakt. Ze waren ruim voordat de school begon, al eens op een avond met hem langs gegaan. Hij had de klassen bekeken, gezien waar hij kwam te zitten, de looproute door de gangen bestudeerd, uitgezocht waar de toiletten waren en de algemene sfeer goed opgenomen. Kortom: voor Bob kwamen er geen onverwachte verrassingen, dachten de ouders. De eerste schooldag naderde en vol vertrouwen bracht vader Bob de eerste dag naar de nieuwe school. Groot was echter de verbazing toen Bob toch in de stress schoot. Wat was de reden? Zijn zoon zei: 'Dit is een andere school, want er lopen hier allemaal mensen rond.' Daar had Bobs vader niet van terug. Het was inderdaad in dit geval raadzaam geweest om de school een tweede keer te bezoeken, compleet met leerlingen. Gelukkig wist Bob zich over de eerste schrik heen te zetten en vond hij al snel zijn draai in de nieuwe school. Dat hij als enige van de nieuwelingen wist waar alles zich bevond, maakte hem toch zekerder. Zijn klasgenootjes kon hij de weg wijzen naar de kantine en naar de toiletten. Voor Bob een hele geruststelling, waardoor hij zich redelijk snel thuis ging voelen op de nieuwe school.


Mensen, ook jongeren, met autisme zijn over het algemeen zeer sfeergevoelig. Ze weten binnen een paar minuten of een omgeving een veilig klimaat heeft. Na deze vaststelling zal het niet moeilijk zijn voor het kind om te kiezen welke school of opleiding het beste voor hem voelt.


De tweede stap is kennis te maken met de mentor, de schoolbegeleidingsdienst of de ambulante begeleider. Ook in dit contact is het van belang dat het klikt met het kind. Het kind moet zich veilig voelen, anders zal de samenwerking moeizaam verlopen. Na het kennismaken, worden er afspraken gemaakt over hoe het kind te ondersteunen en te helpen de overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen.


Vooraf is er een aantal zaken te regelen:

  • Informatie van ouders en leerkrachten inwinnen.
  • Het gebouw leren kennen.
  • Roosteruitleg vragen en weten hoe roosterveranderingen te vinden.
  • Welke boeken bij welk vak horen.
  • Schoolregels doornemen.
  • Huiswerkbegeleiding regelen.

Ouders moeten met hun kind en de begeleider vooraf vaste afspraken maken over de verdere begeleiding. Zeer belangrijk is het om, zeker in het begin, een vaste tijd en plaats af te spreken voor deze begeleiding. Leerlingen met autisme hebben ondersteuning nodig bij het ontdekken van de samenhang in hun omgeving. Duidelijkheid, overzicht en voorspelbaarheid is daarbij heel belangrijk in deze fase.


Een aantal zaken moet vooraf met docenten en schoolbegeleiding besproken zijn, om de voortgang van het leerproces goed te laten verlopen. Dit is alleen nodig wanneer het kind naar een normale school gaat. Gaat het kind naar een school voor speciaal onderwijs, dan is dit niet nodig, omdat bij deze docenten voldoende kennis over autisme aanwezig moet zijn.


Het bieden van structuur in de ruimte


Vraag voor de leerling vanaf het begin een vaste werkplek. Dit is noodzakelijk voor hem of haar om zich enigszins te kunnen afschermen. Ook is een vaste plek nodig om in het begin van het schooljaar overzicht te krijgen. Vraag ook of de materialen, zoals lesboeken, werkbladen en dergelijke, op vaste plekken aanwezig zijn.


Structuur in de tijd


Probeer met de school afspraken te maken over een vast dagprogramma. Bespreek dit programma met het kind en ga na of het duidelijk is. Probeer de tijd zo concreet mogelijk te nemen. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van een kookwekker. Er zijn voor kinderen met autisme ook speciale kleurenklokken ontwikkeld. Wanneer de wijzer een andere kleur aanwijst, is het tijd voor de volgende activiteit. Markeer de overgangen tussen twee activiteiten. Vraag aan de docent of hij met jouw kind een signaal wil afspreken wanneer er gewisseld moet worden van activiteit. Na verloop van tijd (afhankelijk van het kind) zal dit steeds minder nodig zijn. Kinderen met autisme gaan zich een vast dagrooster steeds meer eigen maken. Vraag ook aan de docent of hij elke dag wil controleren of het kind zijn agenda goed heeft ingevuld.


Naar de beroepsopleiding

Voor deze verandering gelden dezelfde principes als bij de overgang van de basisschool naar de middelbare school. Er is echter een aantal zaken die voor een beroepsopleiding noodzakelijk zijn, die al tijdens het voortgezet onderwijs gedaan moeten worden. Dit om de overgang van het mbo of hbo soepel te laten verlopen. Allereerst is daar de keuze welk beroep het kind in de toekomst wil gaan uitoefenen. Het kind zelf vindt een keuze maken heel ingewikkeld. Een goede handelswijze is meestal om verschillende beroepskeuzetest te laten doen. De beroepen die in alle tests voorkomen, zet je vervolgens op een rij. Wanneer er veel beroepen zijn overgebleven, zet je deze in sectoren, bijvoorbeeld zorg, techniek of computers. Op deze manier wordt het overzichtelijk en kun je bespreken waarom een bepaalde sector niet gemakkelijk zal zijn voor iemand met autisme. Uiteindelijk blijft er nog één sector over. De beroepen in die sector bekijk je samen kritisch. Je kunt dan beroepen laten afvallen, bijvoorbeeld doordat de opleiding te ver weg is, te duur is, het kind niet genoeg vooropleiding heeft of er geen baan in te vinden is. Vervolgens ga je met het kind de verschillende opleidingen langs om hem te laten voelen wat het is om die betreffende opleiding te gaan doen. Blijven er dan nog beroepen over, dan kun je samen bij elk beroep de voor- en nadelen benoemen. Voor elk voordeel laat je punten geven door het kind en voor de nadelen laat je er weer punten af te laten halen. Het beroep met de hoogste score gaat het worden.


Danny moest na de havo een schoolkeuze maken. Zijn ouders hebben hem daarbij geholpen. Eerst heeft hij een test gemaakt, om er achter te komen waar zijn interesses liggen. Daaruit heeft Danny samen met zijn ouders een aantal beroepen gedistilleerd. Het was een lijst van in totaal zes studierichtingen. Vervolgens werd gekeken waar deze zes studierichtingen gevolgd konden worden. Eén opleiding was te ver weg. Er bleven er dus nog vijf over. Zijn ouders gingen er niet in mee, wanneer Danny weer met een nieuw beroep kwam. Zij maakten hem duidelijk, dat de eerste ingeving meestal de beste is. Daarna werd informatie verzameld over de opleidingen. Het was een heel pak en er werden vele avonden besteed aan het doorlezen van alle informatie. Uiteindelijk bleven er, na het doorlezen van alle folders en brochures, nog drie opleidingen over. De open dagen van de drie opleidingen werden gezamenlijk bezocht en toen waren er nog twee over. Daarna hebben ze samen een lijst gemaakt met de voor- en nadelen van elke studie. Uiteindelijk werd de keuze gemaakt door Danny, in overleg met zijn ouders. De ouders waren ook zo verstandig om Danny te complimenteren met de goede keuze. Dat is belangrijk, om te voorkomen dat Danny naderhand toch weer gaat twijfelen aan zijn keuze. Soms speelde nog wel eens de twijfel, maar door er dan meteen over te praten en de redenen van zijn keuze nogmaals te benoemen, verdween de twijfel weer snel. Zonder aarzelen is Danny uiteindelijk met volle overgave aan deze beroepsopleiding begonnen en heeft hem ook afgemaakt.


Druk als leerkracht en ouders een beroepsopleiding nooit door bij het kind, wanneer het maar blijft aarzelen. Dit wordt uiteraard te goeder trouw gedaan, om het kind te helpen, maar zal niet gaan werken. Doe je dit wel, dan loop je het risico dat het kind niet gemotiveerd zal zijn om de opleiding te doen. Hij zal tot in lengte van dagen zeggen dat hij van een ander, dus ouders of vroegere leerkracht, een verkeerde opleiding moest volgen en dat het daarom allemaal is misgegaan. Het is mislukt omdat de opleiding niet zijn keuze was.


In het voortgezet onderwijs geldt nog meer dan op de middelbare school, dat een leerling met autisme wegwijs gemaakt moet worden in het rooster. Ook moet hij leren elke dag op het rooster te kijken of er nog veranderingen zijn.


Sinds kort is er het zelfstandig werken ingevoerd, het zogenoemde competentiegericht leren. Met deze leermethode worden leerlingen geacht zelf te ontdekken wat ze moeten leren, om later het vak inderdaad te kunnen uitoefenen. Leerlingen met autisme zullen hiermee de grootste moeite hebben. Mentoren op deze opleidingen, moeten zich er terdege van bewust zijn dat leerlingen met autisme hierin ondersteuning nodig hebben. Ouders spelen daarbij een cruciale rol, wanneer het gaat om het informeren van de docenten over wat hun kind nodig heeft om zonder al te veel stress de school af te maken.


Maak samen met het kind een overzichtelijk schema van de opdrachten.
Een voorbeeld:

  • Wat moet je leren?
  • Hoeveel tekst?
  • Wanneer moet je dat leren?
  • Leg uit wat hij/zij moet doen om de opdracht af te krijgen.
  • Wanneer moet de opdracht af zijn?
  • Verdere informatie: hoe groot, hoe presenteren, enzovoort.
  • Spreek regelmatig af, om na te gaan of het kind nog op de goede weg zit.

Bespreek met de docenten het probleem van samenwerken. Leg uit dat jouw kind daar problemen mee heeft, maar dat het wel belangrijk voor hem is om dat te leren. Vraag aan de docent zoveel mogelijk dit te stimuleren en regelmatig na te gaan hoe de samenwerking met de andere leerlingen verloopt. Als de samenwerking (even) niet gaat, vraag dan aan de docent of hij een alternatief wil bedenken: samenwerken met maar één persoon of anders een individuele opdracht krijgen.


Huiswerkbegeleiding


Al bij het allereerste begin van het nieuwe schooljaar, is het van belang om ervoor te zorgen dat de leerling met autisme overzicht krijgt over welk huiswerk gedaan moet worden en wanneer het klaar moet zijn. Wanneer dit niet vanaf het begin geregeld is, zal deze leerling de motivatie verliezen. Bij leerlingen met autisme is het terughalen van hun motivatie erg moeilijk. Zij kunnen in een soort dwanggedachte blijven hangen, bijvoorbeeld dat de school te moeilijk is of dat de school niet wil helpen. Of ze denken: waar doe ik het voor?


De zoon van Bea heeft Asperger. Zij vertelt: '"Mijn zoon zit nu op de middelbare school. Thuis huiswerk maken gaat zeer moeizaam. Het is in ieder geval ingewikkeld om je als ouder te bemoeien met het huiswerk van je kind. Maar als je kind dan ook nog autisme heeft, is het dubbel zo ingewikkeld. Mijn zoon miste het overzicht over wat en wanneer hij iets moest maken. Hij ging ontzettend stressen en raakte gedemotiveerd om naar school te gaan. Ik heb de hulp van de schoolbegeleider ingeroepen. We spraken af dat hij aan de leerkrachten zou vragen mijn zoon digitaal te laten weten welk huiswerk, op welk tijdstip gedaan moest worden.
Een aantal docenten werkte mee, maar de meeste niet. Van de docenten die meewerkten liet een aantal het na verloop van tijd ook afweten. Dit gebeurde ook met het verzoek, om na elke les bij mijn zoon te controleren of hij het huiswerk in zijn agenda had opgeschreven. En, niet onbelangrijk, of hij het ook bij de goede dag had genoteerd. Toen dit allemaal niet werkte, heb ik huiswerkbegeleiding aangevraagd. De docent die deze begeleiding gaf, wist meestal wel welke leerstof er geleerd moest worden. Ook kon hij redelijk inschatten hoe ver de docenten waren in de leerstof. Soms sprak hij zijn collega's aan, om duidelijk te zijn in wat en wanneer er geleerd moest worden. Met mijn zoon ging het daarna stukken beter en hij gaat nu weer met plezier naar school. Een ander voordeel van huiswerkbegeleiding is dat hierdoor de sfeer thuis beter is geworden. Ik vind dat voor leerlingen met autisme huiswerkbegeleiding gratis zou moeten zijn. Zij hebben dit nodig. Niet als luxe, maar omdat dit te maken heeft met de beperking die zij hebben. Gewoon omdat het moeilijk is voor een autistische leerling om overzicht te krijgen en te houden over wat ze moeten leren."


Leerlingen met autisme kunnen in de periode van het begin van een nieuw schooljaar, met andere docenten en misschien nieuwe klasgenoten, druk bezig zijn om overzicht te krijgen over hun leven. We zien dit bij veel leerlingen met autisme. Opvallend is, dat zij een duidelijk onderscheid maken tussen school en thuis. Op school leer je en thuis leef je. Thuis is geen school, dus daar maak je geen huiswerk. De ideale situatie is, dat deze leerlingen op school alles afmaken wat gedaan moet worden en thuis vrij zijn van huiswerk. Een ouder die zijn kind aanmeldt bij een school, doet er goed aan om na te gaan of de school, wanneer dit nodig is, deze faciliteit de leerling inderdaad kan aanbieden.


Neem bijvoorbeeld Martin. Hij is geobsedeerd door het skaten. Wil meteen na school en op zaterdag en zondag skaten. Elk vrij moment wordt door hem besteedt aan het skaten. Voor iets anders heeft hij geen interesse meer en zeker niet voor het maken van huiswerk. Zijn vader wilde dit doorbreken. In dit geval wilde zijn vader een keer een andere activiteit met Martin doen om hem zo los te maken van het obsessief skaten. Hij stelde dit aan Martin voor, maar Martin weigerde. Martin wilde wel naar een skatebaan in een andere stad. Het idee van zijn vader was echter, wel naar een andere stad te gaan, maar ook iets te gaan doen wat niets met skaten te maken heeft. Martin werd hier erg nerveus van en zei dat hij het wel aardig vond van zijn vader, maar dat hij wel moest skaten. Het was duidelijk dat hij het vervelend vond om zijn vader teleur te stellen. Maar zijn dwangmatige behoefte aan skaten was groter dan zijn wil om zijn vader een plezier te doen. Zijn vader pakte het als volgt aan: 'Over veertien dagen gaan we een dag iets anders doen dan skaten.' Deze termijn was nodig om Martin aan het idee te laten wennen. Hij stelde het ook niet ter discussie, maar deed domweg de mededeling aan Martin. Martin accepteerde dit, omdat het toch nog lang duurde. Af en toe kwam vader erop terug en meldde dan dat de periode tot het uitje steeds korter werd. 'Over tien dagen gaan we samen op pad.'" Een week van tevoren werd samen besloten wat ze gingen doen en dat het skateboard niet mee mocht. Er werd een plan gemaakt om te gaan karten die dag. Vader was zo verstandig om zich wel binnen het interessegebied van zijn puberzoon te houden. Door de lange voorbereiding en doordat karten ook leuk werd gevonden, raakte Martin aan het idee gewend. Toen de dag van het uitje was aangebroken, had hij zelfs zin om met zijn vader op stap te gaan om te gaan karten. Langzaam raakte hij op deze manier zijn obsessie voor een groot deel kwijt en kwam het huiswerk maken ook weer in beeld.


Uit dit voorbeeld blijkt wel hoe moeilijk het kan zijn om een kind met autisme thuis huiswerk te laten maken.


Wel of niet vertellen

De vraag om wel of niet in de klas te vertellen dat je autisme hebt, is een lastig te beantwoorden vraag. Voor de ouders, door de docenten, maar zeker ook voor de leerling zelf. Docenten zijn er meestal voorstander van het wel te vertellen aan de klas. Dit heeft hun voorkeur, omdat zeker pubers nog niet goed kunnen omgaan met leeftijdgenoten die een 'vreemd' gedrag laten zien. Zij gaan die leerling uitsluiten of zelfs pesten. Mocht dat laatste gebeuren, dan is het vrijwel zeker dat de leerling niet meer naar school komt, of dat er een plotselinge agressieve situatie kan ontstaan. Docenten hebben de taak ervoor te zorgen dat ook leerlingen met autisme geaccepteerd worden in de klas. Zij moeten een leerling aanmoedigen om vriendschappen te sluiten en in overleg een maatje toewijzen, die hem wegwijs maakt op school. Een maatje kan voor een autistische leerling een enorme steun zijn. Zeker bij groepsopdrachten kan het maatje hem als het ware bij de hand nemen en hem door de groepsopdracht heen loodsen. Ouders wordt aanbevolen om vooral in het begin aan de schoolbegeleiding te vragen of zij het principe kennen, van een maatje hebben. Wanneer een school met deze aanpak ervaring heeft, zal het voor het kind ook vanzelfsprekender worden om dit te accepteren.


De meeste autistische jongeren zijn geen voorstander van het vertellen in de klas. Autisten vinden immers vaak dat hun gedrag wel meevalt en dat juist de ander zich vreemd gedraagt. Ze zijn slecht in zelfreflexie en dus vinden zij het ook niet nodig om anderen extra attent te maken op iets wat in hun ogen negatief is. Niet geheel onterecht. Over het algemeen ondervinden zij na het vertellen van de diagnose dat een deel van de klas medelijden gaat krijgen met hen. Een ander deel van de klas ziet hierin juist aanleiding om deze leerling te negeren en uit te sluiten van de groep. Pubers zijn hard in de omgang met elkaar en zeggen makkelijk: 'Die is toch gek' wanneer iemand afwijkend gedrag vertoont.


Gerard is deze week voor het eerst naar de Mediaschool gegaan en heeft een gesprek met zijn begeleider over het wel of niet vertellen van zijn autisme in de klas. Gerard: 'Ik vind niet dat het verteld moet worden in de klas. Ik vind het prettiger dat mijn klasgenoten mij eerst leren kennen als Gerard en niet als die jongen met autisme. Eerst wil ik vriendschappen proberen te sluiten. Ik hoop dat mijn klasgenoten mij leuk vinden om diegene wie ik ben. Gerard dus. Pas wanneer ik mij vertrouwd voel bij een persoon, ga ik het misschien vertellen.' "Gerard heeft hier goed over nagedacht en weet wat hij wil. Bovendien is zijn autisme niet zo overheersend dat hij totaal ander gedrag vertoont dan andere jongeren. Gerard heeft nog een punt: '"Een ander nadeel om het in de klas te vertellen is, dat ook de docenten anders naar mij gaan kijken. Ook voor docenten geldt dus dat zij mij, Gerard, eerst moeten leren kennen. Pas later in het schooljaar kan het voordelen hebben als docenten weten dat ik autisme heb. Zodoende kunnen zij er rekening mee houden dat ik regelmatig een controlevraag stel of ik alles nog goed heb begrepen en dat ik dat niet doe om eigenwijs te zijn.'" Gerard kiest er dus wel voor om op termijn over zijn autisme te vertellen aan de docenten, maar niet in het begin. Zijn begeleider is het met hem eens en complimenteert hem met zijn weldoordachte keuze en goede inschatting van de mogelijkheden. Hij stelt echter aan Gerard voor om te zoeken naar een vertrouwenspersoon in de school, die wel op de hoogte is. Gerard vindt dit een goed idee. Hij vindt het wel fijn een vertrouwenspersoon op school te hebben. Iemand bij wie hij altijd terecht kan en aan wie hij alles aan kan vertellen. Die, als het nodig is, de docenten instructies geeft hoe in sommige situaties met hem om te gaan of te bemiddelen in een eventueel conflict. Na enkele weken goed om zich heen kijken, laat hij zijn keus vallen op een vrouwelijke docent die parttime op school les geeft, maar niet aan zijn klas. Ze heet Anna en ze spreekt Gerard aan door haar zachte manier van praten en haar bescheiden opstelling. Hij vertelt dit aan zijn begeleider, die vervolgens een afspraak met deze Anna maakt, samen met Gerard. Met z'n drieën gaan ze een keer koffie drinken in de stad, waarbij de begeleider aan Anna vertelt wat autisme inhoudt, maar waarbij hij Gerard zelf de vraag laat stellen of zij zijn begeleider wil zijn gedurende de periode op deze school. Anna voelt zich vereerd door deze vraag, en zegt volmondig ja. Jarenlang heeft Gerard vervolgens maandelijks een gesprekje met Anna, in dezelfde koffieshop waar hij ooit de vraag stelde. Na drie jaar komt er een conflict tussen Gerard en één van de docenten. Op dat moment besluiten zij samen om het te vertellen aan de docenten. Gerard kiest er wel voor om zijn medeleerlingen niet in te lichten. Anna helpt Gerard om dit gesprek met een aantal docenten aan te gaan en kan daarbij vertellen hoe zij al drie jaar lang op de achtergrond een aantal problemen heeft helpen voorkomen. Voor de docenten is dit prettig om te horen en zij begrijpen nu beter waarom Gerard soms zo'n ' "moeilijke' "leerling was. Vanaf dat moment gaat het beter, ook met de docent met wie het conflict was. Gerard heeft de mediaschool met goed gevolg afgerond en is nu aan het werk als nieuwe-e mediaspecialist bij een kleine uitgeverij.


Ouders krijgen vaak het advies van de school om wel te vertellen dat hun kind autistisch is. Zij bespreken dit vervolgens met het kind. Het is belangrijk dat zij samen dan goede afspraken maken wat wel en wat niet verteld moet worden aan de klas. Het advies is om enkel die beperkingen te vertellen die van belang zijn voor het groepsproces in de klas. Dus niet het hele verhaal rondom autisme. Spreek met de docent af dat hij bijvoorbeeld zal vertellen dat de leerling met autisme gemiddeld meer moeite heeft om overzicht te hebben. Dat dit vooral gaat over roosterveranderingen, huiswerk maken en wat te leren voor een toets. Vraag ook aan de docent om dit niet te groot te maken. Vraag de docent te bespreken in de klas dat de meeste leerlingen, ook de leerlingen die niet de diagnose van autisme hebben, daar moeite mee hebben en dat iedereen elkaar daarin moet ondersteunen. Ook de behoefte aan rust is iets om aan de klas te laten weten. Veel leerlingen met autisme hebben soms behoefte aan stilte en daarom gaan zij wel eens de klas uit, om even tot rust te komen. In de klas kan de docent dan vertellen dat leerlingen zonder autisme zich kunnen afsluiten voor indrukken uit hun omgeving, maar dat leerlingen met autisme dit niet kunnen.


Belangrijk is ook dat docenten in de klas het kind niet gaan stigmatiseren of als een probleemgeval gaan behandelen. Zij moeten benadrukken dat iemand met autisme ook een positieve bijdrage kan leveren in de klas. Ouders kunnen de docent goed informeren welke kwaliteiten het kind heeft en hoe die te gebruiken zijn in de klas. De docent kan bijvoorbeeld vertellen wat die leerling goed kan, bijvoorbeeld dat hij graag anderen wil helpen. Meestal zijn autistische leerlingen goed in het omgaan met computers of exacte vakken en kunnen ze andere leerlingen daarbij helpen.


De docent zal, nadat de klas op de hoogte is gesteld, het groepsproces in de gaten moeten houden en regelmatig aan de leerling en aan de ouders moeten vragen hoe het gaat. Alleen maar enkel vertellen over autisme is niet voldoende. Er mag geen situatie ontstaan van zielig vinden of verder uitsluiten. Zowel docenten als ouders moeten hierop alert zijn en proberen dit te voorkomen. Wanneer het toch gebeurt, moet de docent samen met het kind en de ouders overleggen hoe ze dit groepsproces weer de goede kant op kunnen sturen en de positieve kanten van het kind beter in beeld kunnen brengen bij zijn medeleerlingen.


Veel problemen zijn te verminderen wanneer het bij zowel docenten als bij medeleerlingen duidelijk is dat hier sprake is van een leerling met autisme. Iedereen begrijpt dan wat meer van het '"vreemde gedrag'" van de leerling. Het is niet alleen weten wat autisme inhoudt. Het betekent ook dat docenten en klasgenootjes begrijpen dat het vaak niet gaat om onwil, maar om onmacht.


Voor mensen met autisme is het vaak onmogelijk om onderscheid te maken tussen onschuldige plagerijtjes en echt pesten. Dit is iets wat ouders thuis goed kunnen oefenen in een rollenspel. Het verschil tussen plagen en pesten is met allerlei kleine voorbeeldjes duidelijk te maken in een spel thuis, waarbij het kind moet raden wanneer sprake is van plagen en wanneer van pesten. Kinderen met autisme voelen dit onderscheid niet altijd aan. Zij moeten leren dat plagen niet erg is, omdat na het plagen het contact weer hersteld is en de kinderen weer verder spelen.


Studeren aan hbo of universiteit

Studeren aan een hogeschoolbo of universiteit vereist nog meer dan op de middelbare school dat het kind zelf de leiding gaat nemen in het leren. Als ouder kun je wel alle randvoorwaarden, die nodig zijn om te studeren, zo goed als mogelijk organiseren. Planning bij de uitvoering van geplande taken is hierbij voor het studerende kind erg belangrijk. Er moet regelmaat zijn in slapen, eten en studeren. Er moeten vaste studeertijden worden aangehouden, die met het kind zijn afgesproken. Om stress te voorkomen, wanneer dreigt dat het kind de stof niet afkrijgt voor een tentamen, kun je tijdens deze perioden de planning van de studeertijden wat ruimer nemen. Dit voorkomt stress en zorgt ervoor dat hij het huiswerk altijd af kan hebben. Is hij eerder klaar dan de afgesproken studeertijd, dan kan hij wat leuks gaan doen. Belonen werkt altijd goed, bij ieder kind.


Soms hebben jongeren met autisme niet genoeg aan enkel structuur thuis, om de studie te kunnen doen. Dan is extra ondersteuning nodig van de opleiding of universiteit. De meeste opleidingen hebben mogelijkheden om mensen met autisme te ondersteunen in hun studie. Ga na, voordat je kind gaat studeren, of inderdaad die ondersteuning ook aanwezig is. Bij de meeste opleidingen bestaat de mogelijkheid om een vaste persoonlijke studiebegeleider te krijgen. Meestal zijn dit psychologen of psychologiestudenten die voorbereid zijn deze taak op zich te nemen. Zij voeren wekelijks een gesprek en geven het kind advies in bijvoorbeeld:


  • Het afgrenzen van te open opdrachten.
  • Hoe te communiceren met de docenten.
  • Contacten met de medestudenten.
  • Planning en uitvoering van de taken.
  • Zo nodig extra tijd en een rustige plek tijdens het tentamen regelen.

Het is goed als ouder zo veel mogelijk over bovenstaande punten te weten, zodat je bij vragen door kunt doorverwijzen naar de studiebegeleider.


Voor ouders met studerende kinderen, komt hier nog een nieuw aspect bij. Wanneer het kind de leeftijd heeft dat hij gaat studeren, komt er ook een tijd – en die ligt niet zo ver meer weg – dat hij op zichzelf wil gaan wonen. Probeer het zo te organiseren, dat een eventuele verhuizing in een schoolvakantie of voor en na een tentamenperiode plaats vindt. Een aantal studentensteden hebben de mogelijkheid dat studenten met autisme in een voor hen speciale woonvoorziening gehuisvest worden. Een kamer in een studentenhuis is voor een autist niet de meest wenselijke woonomgeving: veel geluiden, een gedeelde keuken en veel feesten, die tot diep in de nacht kunnen doorgaan.


Nog een laatste tip voor ouders en studenten. De studie afmaken doet niet elke student, dit heeft niets te maken met autisme. Maar studenten met autisme die afhaken, kunnen kwijtschelding krijgen van de studiebeurs, omdat men er dan van uit gaat dat buiten de schuld van de student de studie niet kon worden afgemaakt. Mocht dit gebeuren, kijk dan na of deze mogelijkheid nog bestaat, want in de komende jaren zal er op veel terreinen bezuinigd gaan worden.